Wet
van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle
van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van
de federale kamers, de financiering en de open boekhouding
van de politieke partijen
De tekst vermeld
in het rood werd gewijzigd nà 1 januari 2002 en is
niet van toepassing op de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen.
HOOFDSTUK I - Algemene
bepalingen
Artikel 1.
Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder
:
1° politieke partij : de vereniging van natuurlijke
personen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die aan
door de Grondwet en de wet bepaalde verkiezingen deelneemt,
die overeenkomstig artikel 117 van het Kieswetboek kandidaten
voordraagt voor de mandaten van volksvertegenwoordiger en
senator in elke kieskring van een Gemeenschap of een Gewest
en die, binnen de grenzen van de Grondwet, de wet, het decreet
en de ordonnantie, de totstandkoming van de volkswil beoogt
te beïnvloeden op de wijze bepaald in haar statuten
of haar programma ;
Worden beschouwd als componenten van een politieke partij,
de instellingen, verenigingen, groeperingen en regionale
entiteiten van een politieke partij, ongeacht hun rechtsvorm,
die rechtstreeks verbonden zijn met die politieke partij,
met name :
- de studiediensten ;
- de wetenschappelijke instellingen ;
- de politieke vormingsinstellingen ;
- de politieke omroepverenigingen ;
- de instelling bedoeld in artikel 22 ;
- de entiteiten georganiseerd op het niveau van de arrondissementen
en/of van de kieskringen voor de verkiezingen van de federale
Kamers en de Gemeenschaps- en Gewestraden ;
- [de
politieke fracties van de federale Kamers, de Gemeenschaps-
en Gewestraden en de provincieraden en de instellingen,
opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk,
die de door deze assemblees aan de politieke partijen of
politieke fracties toegekende dotaties of subsidies ontvangen.]
-
2° ontvangsten van een politieke partij en van haar
componenten :
- de dotaties toegekend krachtens hoofdstuk III van deze
wet en/of krachtens een andere overeenkomstige wettelijke
of reglementsbepalingen ;
- de giften, schenkingen of legaten ;
- de bijdragen van de fracties van de Kamer van Volksvertegenwoordigers,
de Senaat,
[de Raden of de provincieraden];
-
- de lidgelden ;
- de opbrengsten uit het roerend of onroerend vermogen ;
- de opbrengsten uit manifestaties, publicaties of reclame
;
- de bijdragen gestort door de partij-geledingen ;
- de diverse prestaties die een geldelijke waarde hebben
of in een geldelijke waarde kunnen worden uitgedrukt.
3° uitgaven van een politieke partij en van haar componenten
:
- de personeelsuitgaven ;
- de werkingskosten ;
- de publicaties ;
- de dotaties verleend aan de partij-geledingen ;
- de uitgaven voor verkiezingspropaganda ;
- de uitgaven voor gebouwen ;
- diversen.
[3°bis
politieke mandatarissen : de natuurlijke personen die lid
zijn van een parlementaire assemblee of een executieve van
de Europese Unie, de federale Staat, een Gemeenschap, een
Gewest, een provincie, een gemeente of een binnengemeentelijk
district of die, met uitzondering van de ambtenaren die
ervan afhangen, door een van deze assemblees of een van
deze executieves zijn aangewezen om een mandaat te bekleden
in een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon.]
-
[4°
Controlecommissie : een commissie paritair samengesteld
uit leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van
de Senaat, onder het voorzitterschap van de voorzitters
van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat.
De Controlecommissie bepaalt in haar statuten de nadere
regelen inzake haar samenstelling, werkwijze en wijze van
besluitvorming, onverminderd de bij wet voorgeschreven meerderheidsvereisten,
en stelt voor de uitoefening van de haar bij wet opgedragen
taken een reglement van orde op, die beide in het Belgisch
Staatsblad worden bekendgemaakt.
De Controlecommissie is verplicht om zich, onder de door
deze wet bepaalde voorwaarden, te laten adviseren door het
Rekenhof voor de controle zowel van de verkiezingsuitgaven
van de politieke partijen en de individuele kandidaten als
van de financiële verslagen van de politieke partijen
en hun componenten. Indien de commissie dit opportuun acht,
kan zij voor de uitoefening van haar overige wettelijke
bevoegdheden eveneens het advies van het Rekenhof inwinnen.
In geval van ontbinding van de federale Kamers worden de
voor de uitoefening van de bevoegdheden van de Controlecommissie
gestelde termijnen gestuit. De nieuwe termijnen beginnen
te lopen vanaf de installatie van de vaste bureaus van de
federale Kamers.
Met uitzondering van de in artikel 4bis, § 2, derde
lid, bepaalde termijn, worden de voor de uitoefening van
de bevoegdheden van de Controlecommissie gestelde termijnen
geschorst tijdens de recesperiodes bepaald met toepassing
van artikel 10, § 1, 3°, van de wet van 6 april
1995 houdende inrichting van de parlementaire overlegcommissie
bedoeld in artikel 82 van de Grondwet en tot wijziging van
de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad
van State.]
-
HOOFDSTUK II - Beperking
en controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen
van de federale kamers
Art. 2.
§ 1. Het totaal van de uitgaven en de financiële
verbintenissen voor de verkiezingspropaganda van politieke
partijen op federaal vlak, op het vlak van de kieskringen
en op het vlak van de kiescolleges mag voor de verkiezingen
voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat samen
niet meer dan 1.000.000 euro bedragen.
Niettegenstaande de voorgaande bepa-lingen, mogen politieke
partijen wanneer verschillende verkiezingen op een zelfde
dag plaatsvinden niet meer dan 1.000.000 euro besteden voor
alle verkiezingsuitgaven en financiële verbintenissen
samen.
Vijfentwintig procent van dat bedrag kan evenwel de kandidaten
zelf worden aangerekend. In dat geval kan elke kandidaat
slechts een bedrag ten belope van ten hoogste tien procent
van het in dit lid bepaalde percentage worden aangerekend.
De politieke partijen kunnen met één of meer
kandidaten hun campagne op federaal vlak, op het vlak van
de kieskringen en op vlak van de kiescolleges voeren. Enkel
wat de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers
betreft, worden deze verkiezingsuitgaven de betrokken kandidaat
in zijn kieskring aangerekend.
§ 2. Het totaal van de uitgaven en de financiële
verbintenissen voor de verkiezingspropaganda van individuele
kandidaten mag voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers
niet meer bedragen dan :
1° voor elk van de eerstgeplaatste kandidaten naar gelang
van het aantal mandaten behaald door hun lijst bij de laatste
verkiezingen en voor één bijkomende door de
politieke partij aan te duiden kandidaat : 8.700 euro vermeerderd
met 0,035 euro per tijdens de vorige verkiezingen voor de
federale Kamers ingeschreven kiezer in de kieskring waar
de kandidaat kandideert ;
[2°
voor één kandidaat op de lijst van een politieke
partij die, bij de laatste verkiezingen, geen mandaat behaalde
of in de betrokken kieskring niet opkwam : het sub 1°
bepaalde bedrag. Deze kandidaat dient niet noodzakelijk
de eerstgeplaatste van zijn lijst te zijn ;]
-
3° voor elke andere kandidaat-titularis en de kandidaat-eerste-opvolger,
voor zover deze laatste de bepalingen van 1° niet geniet
: 5 000 euro ;
4° Voor elke andere kandidaat-opvolger, voor zover hij
de bepalingen van 1° niet geniet : 2.500 euro.
[ §
2bis . Het totaal van de uitgaven en de financiële
verbintenissen voor de verkiezingspropaganda van de individuele
kandidaten die, met toepassing van de in artikel 118, derde
lid, van het Kieswetboek bepaalde uitzondering, voor de
verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers in meer
dan één kieskring op dezelfde lijst worden
voorgedragen, mag niet meer bedragen dan :
1° voor elk van de eerstgeplaatste kandidaten naar gelang
van het aantal mandaten behaald door hun lijst bij de laatste
verkiezingen en voor één bijkomende door de
politieke partij aan te wijzen kandidaat : 8.700 euro, vermeerderd
met 0,035 euro per tijdens de vorige verkiezingen voor de
federale Kamers ingeschreven kiezer in de betrokken Kieskringen.
Deze kandidaten mogen in elk van deze kieskringen evenwel
niet meer dan het voor de onderscheiden kieskringen geldende
maximumbedrag, zoals vastgesteld overeenkomstig § 2,
uitgeven;
2° voor een kandidaat op de lijst van een politieke
partij die, bij de laatste verkiezingen, geen mandaat behaalde
of in de betrokken kieskringen niet opkwam : het sub 1°
bepaalde bedrag. Deze kandidaat dient niet noodzakelijk
de eerstgeplaatste van zijn lijst te zijn. Hij mag in elk
van de betrokken kieskringen evenwel niet meer dan het voor
de onderscheiden kieskringen geldende maximumbedrag, zoals
vastgesteld overeenkomstig § 2, uitgeven;
3° voor elke andere effectieve kandidaat en de kandidaat-eerste-opvolger,
voor zover deze het sub 1° bepaalde niet geniet : 5.000
euro.
4° voor elke kandidaat-opvolger, voor zover deze het
sub 1° bepaalde niet geniet : 2.500 euro.
De kandidaten, bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°,
verdelen de vaste uitgaven voor hun verkiezingspropaganda
die ze niet kunnen toewijzen aan één van de
kieskringen, evenredig over hun aangiften voor de onderscheiden
kieskringen, in verhouding tot het aantal tijdens de vorige
verkiezingen voor de federale Kamers ingeschreven kiezers
in de betrokken kieskringen.] -
§ 3. Het totaal van de uitgaven en de financiële
verbintenissen voor de verkiezingspropaganda van individuele
kandidaten mag voor de verkiezingen voor de Senaat niet
meer bedragen dan:
1° voor elk van de eerstgeplaatste kandidaten naar
gelang van het aantal mandaten behaald door hun lijst bij
de laatste verkiezingen en voor één bijkomende
door de politieke partij aan te duiden kandidaat 8.700 euro
vermeerderd met 0,0175 euro per stem die op geldige wijze
is uitgebracht voor, respectievelijk, het Nederlandse of
het Franse kiescollege ;
[2°
voor één kandidaat op de lijst van een politieke
partij, die bij de laatste verkiezingen, geen mandaat behaalde
of in het betrokken kiescollege niet opkwam : het sub 1°
bepaalde bedrag. Deze kandidaat dient niet noodzakelijk
de eerstgeplaatste van zijn lijst te zijn ;]
-
3° voor elke andere kandidaat-titularis en de kandidaat-eerste-opvolger,
voor zover deze laatste de bepalingen van 1° niet geniet
: 10 000 euro ;
4° Voor elke andere kandidaat-opvolger, voor zover hij
de bepalingen van 1° niet geniet:
5 000 euro.
§ 4. Wanneer verscheidene kandidaten van een zelfde
lijst zich verenigen voor het voeren van hun verkiezingspropaganda,
moeten zij vooraf schriftelijk vastleggen welk gedeelte
van de uitgaven met hun respectief quotum zal worden verrekend.
§ 5. Wanneer in geval van gelijktijdige verkiezingen
een kandidaat op meer dan één lijst staat,
dan mogen de in de wetten betreffende de beperking en de
controle van de verkiezingsuitgaven bedoelde maximum-bedragen
voor de individuele kandidaten niet samengevoegd worden.
Alleen het hoogste maximumbedrag wordt in aanmerking genomen.
§ 6. De bedragen bepaald in de §§ 1 tot
3 worden aangepast aan de schommelingen van de productiekosten
van de bij de verkiezingen gebruikte reclametechnieken.
De formule daartoe, met als spilindex deze die van kracht
is op 1 januari 1994, wordt vastgesteld bij een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit.
Art. 3.
De Minister van Binnenlandse Zaken maakt ten laatste de
twintigste dag voor de verkiezingen de overeenkomstig de
bepalingen van artikel 2, § 2, 1° en § 3,
1°, berekende maximumbedragen bekend die door de individuele
kandidaten mogen worden uitgegeven.
Art. 4.
§ 1. Voor de toepassing van deze wet worden als uitgaven
voor verkiezingspropaganda beschouwd, alle uitgaven en financiële
verbintenissen voor mondelinge, schriftelijke, auditieve
en visuele boodschappen die erop gericht zijn het resultaat
van een politieke partij en haar kandidaten gunstig te beïnvloeden
en die naargelang van het geval verricht worden tijdens
de periode van drie maanden voor de verkiezingen georganiseerd
met toepassing van artikel 105 van het Kieswetboek of, in
het geval van buitengewone verkiezingen tijdens de periode
die aanvangt op de dag van de bekendmaking in het Belgisch
Staatsblad van het koninklijk besluit houdende bijeenroeping
van de kiescolleges voor de federale Kamers en eindigt op
de dag van de verkiezingen. Indien evenwel, in het geval
van buitengewone verkiezingen de bekendmaking van het bedoelde
koninklijk besluit plaats heeft na de aanvang van de voormelde
periode van drie maanden, wordt de inmiddels reeds verstreken
termijn meegerekend.
[§
2. Als uitgaven voor verkiezingspropaganda bedoeld in §
1 worden eveneens beschouwd,
die welke verricht zijn door derden voor politieke partijen
of kandidaten, tenzij deze laatsten :
onmiddellijk na de kennisneming van de door de betrokken
derden
gevoerde campagne, hen
bij een ter post aangetekend schrijven aanmanen deze campagne
te staken ;
een afschrift van deze brief al dan niet met het schriftelijk
akkoord van de derden
tot staking, overzenden aan de voorzitters van de hoofdbureaus
die met toepassing van artikel 94ter, § 1, eerste lid,
van het Kieswetboek de verslagen opmaken over de uitgaven
die de politieke partijen en de kandidaten voor verkiezingspropaganda
hebben gedaan. Deze voorzitters voegen dit stuk of deze
stukken bij de door de betrokken partijen of kandidaten
ingediende aangiften van hun verkiezingsuitgaven en van
de herkomst van de geldmiddelen.]
-
§ 3. Als uitgaven voor verkiezingspropaganda worden
niet beschouwd :
1° het verlenen van persoonlijke, niet daartoe bezoldigde
diensten evenals het gebruik van een persoonlijk voertuig
;
2° de publicatie in een dagblad of periodiek van redactionele
artikels op voorwaarde dat die publicatie op dezelfde wijze
en volgens dezelfde regels geschiedt als buiten de verkiezingsperiode,
zonder betaling, beloning, of belofte van betaling of van
beloning en dat het niet gaat om een dagblad of periodiek,
speciaal uitgegeven ten behoeve van of met het oog op de
verkiezingen en dat de verspreiding en de frequentie van
de publicatie dezelfde zijn als buiten de verkiezingsperiode
;
3° de uitzending over radio of televisie van programma’s
met berichten of commentaren, op voorwaarde dat die uitzendingen
op dezelfde wijze én volgens dezelfde regels geschieden
als buiten de verkiezingsperiode, zonder betaling, beloning,
of belofte van betaling of van beloning ;
4° de uitzending of reeks van uitzendingen over radio
of televisie van verkiezingsprogramma’s op voorwaarde
dat vertegenwoordigers van de in artikel 1 bedoelde politieke
partijen aan die uitzendingen kunnen deelnemen ;
5° de uitzending over radio of televisie van verkiezingsprogramma’s,
op voorwaarde dat het aantal en de duur ervan worden bepaald
op grond van het aantal vertegenwoordigers van de politieke
partijen in de wetgevende vergaderingen ;
[6°
de kostprijs van periodieke manifestaties, op voorwaarde
dat :
ze niet uitsluitend voor verkiezingsdoeleinden worden
georganiseerd ;
het geregelde en telkens weerkerende manifestaties
betreft die steeds op dezelfde wijze worden georganiseerd
; de periodiciteit wordt beoordeeld hetzij aan de hand van
een referentieperiode van twee jaar voorafgaand aan de in
§ 1 bedoelde periode, tijdens welke de bedoelde manifestatie
jaarlijks eenmaal moet hebben plaatsgehad, hetzij aan de
hand van een referentieperiode van vier jaar voorafgaand
aan de in § 1 bedoelde periode, tijdens welke de bedoelde
manifestatie tweejaarlijks tenminste éénmaal
moet hebben plaatsgehad. Zo de uitgaven voor reclame en
uitnodigingen in vergelijking met het gewone verloop van
dergelijke manifestatie evenwel kennelijk uitzonderlijk
zijn, dienen zij bij wijze van uitzondering wel als verkiezingsuitgave
aangerekend te worden ;
7° de kostprijs van voor verkiezingsdoeleinden georganiseerde,
niet-periodieke manifestaties waarvoor een deelnameprijs
wordt aangerekend, voor zover de uitgaven door de inkomsten,
met uitzondering van deze uit sponsoring, worden gedekt
en het geen uitgaven voor reclame en uitnodigingen betreft.
Zo de inkomsten de uitgaven niet dekken, moet het verschil
als een verkiezingsuitgave worden aangerekend;
8° de uitgaven die tijdens de verkiezingsperiode worden
verricht in het kader van een normale partijwerking op nationaal
of lokaal niveau met name de organisatie van congressen
en partij-
bijeenkomsten. Zo de uitgaven voor reclame en uitnodigingen
in vergelijking met het gewone verloop van dergelijke manifestaties
evenwel kennelijk uitzonderlijk zijn, dienen zij bij wijze
van uitzondering wel als verkiezingsuitgave te worden aangerekend
; 9° de uitgaven voor de aanmaak, de bijwerking en het
beheer van internettoepassingen, op voorwaarde dat die op
dezelfde wijze en volgens dezelfde regels geschieden als
buiten de referentieperiode.]
-
§ 3. (opgeheven).
§ 4. De uitgaven en financiële verbintenissen
voor goederen, leveringen en diensten die onder toepassing
van [de
§§ 1 en 2]
vallen, moeten tegen de geldende marktprijzen worden
verrekend.
Art. 4bis.
§ 1. De Controlecomissie wordt belast met de toetsing,
ongeacht het gebruikte mediakanaal, van alle voor het publiek
bestemde mededelingen en voorlichtings-campagnes van de
federale Regering of een of meer leden, van de Gemeenschaps-
en Gewestregeringen of een of meer van hun leden, van de
colleges bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van
12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen
of een of meer van hun leden, van een of meer gewestelijke
staatssecretarissen bedoeld in artikel 41 van dezelfde bijzondere
wet, van de voorzitters van de federale Kamers, van de voorzitters
van de Gemeenschaps- en of Gewestraden en van de voorzitters
van de verenigde vergaderingen en van de taalgroepen bedoeld
in artikel 60 van de bijzondere instellingen, waartoe deze
niet op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke
bepaling verplicht zijn en die direct of indirect met overheidsgeld
worden gefinancierd.
§ 2. De federale Regering of een of meer van haar
leden, de Gemeenschaps- of Gewestregeringen of een of meer
van hun leden, de colleges bedoeld in artikel 60 van de
bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de
Brusselse instellingen of een of meer van hun leden, een
of meer gewestelijke staatssecretarissen bedoeld in artikel
41 van dezelfde wet, de voorzitters van de federale Kamers,
de voorzitters van de Gemeenschaps- of Gewestraden en de
voorzitters van de verenigde vergaderingen en van de taalgroepen
bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari
1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen die een
mededeling of een voorlichtingscampagne als bedoeld in §
1 wensen te verspreiden dan wel te voeren, moeten vooraf
een synthesenota bij de Controlecommissie indienen.
In die nota worden de inhoud, de redenen, de gebruikte
middelen, de totale kostprijs en de voor de mededeling of
de voorlichtingscampagne geraadpleegde firma’s vermeld.
Uiterlijk vijftien dagen na de indiening van de synthesenota
brengt de Controlecommissie een niet bindend advies uit.
Het advies is ongunstig als de mededeling of de campagne
er geheel of ten dele toe strekt het persoonlijk imago van
een of meer leden van de in § 1 bedoelde instellingen
of het imago van een politieke partij te verbeteren.
Spreekt de Commissie zich niet uit binnen de voorgeschreven
termijn van vijftien dagen, dan wordt zij geacht een gunstig
advies te hebben uitgebracht.
§ 3. Binnen vijftien dagen na het verschijnen of het
verspreiden van de mededeling of de voorlichtingscampagne
neemt de Controlecommissie, op verzoek van een derde van
de leden van elke taalgroep, het dossier waarover zij een
ongunstig advies heeft uitgebracht, in behandeling.
De Controlecommissie is eveneens en volgens dezelfde procedure
gevat als de inhoud van de mededeling of van de voorlichtingscampagne
werd gewijzigd ten opzichte van wat in de synthesenota was
vermeld.
§ 4. Als de mededeling of de voorlichtingscampagne
ertoe strekt het persoonlijk imago te verbeteren van een
of meer leden van de federale Regering, van een of meer
leden van de Gemeenschaps- of Gewestregeringen, van een
of meer leden van de colleges bedoeld in artikel 60 van
de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot
de Brusselse instellingen, van een of meer gewestelijke
staatssecretarissen bedoeld in artikel 41 van dezelfde bijzondere
wet, van de voorzitters van de federale Kamers, van de voorzitters
van de Gemeenschaps- of Gewestraden of van de voorzitters
van de verenigde vergadering en van de taalgroepen bedoeld
in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989
met betrekking tot de Brusselse instellingen of het imago
van een politieke partij, rekent de Commissie de kosten
van de mededeling of campagne aan op de uitgaven van de
betrokkenen voor de eerstvolgende verkiezingen waaraan zij
deelnemen.
Ingeval het in dit artikel bedoelde advies van de Controlecommissie
niet is gevraagd, wordt de kostprijs van de mededeling of
van de campagne van rechtswege aangerekend op de uitgaven
van de betrokkenen voor de eerstvolgende verkiezingen waaraan
zij deelnemen. Daartoe neemt de Controlecommissie de zaak
ambtshalve in behandeling.
De Commissie moet uiterlijk een maand nadat de zaak bij
haar aanhangig is gemaakt, een met redenen omklede beslissing
nemen, met inachtneming van de rechten van de verdediging.
De Controlecommissie beslist bij gewone meerderheid van
stemmen in elke taalgroep.
De beslissing wordt binnen zeven dagen ter kennis gebracht
van de betrokkenen.
Ze wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Art. 5.
§ 1. Gedurende de termijn bepaald bij artikel 4, §
1, mogen de politieke partijen en de kandidaten evenals
derden die propaganda wensen te maken voor politieke partijen
of kandidaten :
1° geen gebruik maken van commerciële reclameborden
of affiches ;
[2°
geen gebruik maken van niet-commerciële reclameborden
of affiches groter dan 4m² ;
3° geen gadgets verkopen noch gadgets of geschenken
uitdelen, ongeacht de wijze van verspreiding en met toepassing
van artikel 184 van het Kieswetboek, tenzij aan de kandidaten
en de personen die met toepassing van artikel 4, §
3, 1°, onbezoldigd verkiezingspropaganda voeren ten
voordele van politieke partijen en kandidaten. Onder gadgets
worden verstaan alle voorwerpen, uitgezonderd drukwerk op
papier of op enige andere informatiedrager met een uitsluitend
opiniërende of illustrerende politieke boodschap, die
als souvenir, accessoire, snuisterij of gebruiksvoorwerp
worden gebruikt, en waarvan diegene die het uitdeelt hoopt
dat degene die het ontvangt het zal aanwenden voor het normale
gebruik waarvoor het is bestemd en bij die gelegenheid telkens
opnieuw de boodschap zal zien die op het voorwerp is aangebracht
;
4° geen commerciële telefooncampagnes voeren ;
5° geen commerciële reclamespots op radio, televisie
en in bioscopen voeren.
§ 2. Voor dezelfde periode bepaalt de gouverneur van
de provincie of van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad
bij politiebesluit de nadere regels inzake het aanbrengen
van verkiezingsaffiches en het organiseren van gemotoriseerde
optochten.]
-
Art. 6.
[Bij
het aanvragen van een lijstnummer dienen de politieke partijen
een schriftelijke verklaring in waarin ze zich ertoe verbinden
:
1° de wetsbepalingen inzake beperking en controle van
de verkiezingsuitgaven in acht te nemen ;
2° hun
verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen
die daaraan zijn besteed, tegen ontvangstbewijs, binnen
vijfenveertig dagen na de verkiezingen aan te geven bij
de voorzitter van het hoofdbureau van de kieskring voor
de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers,
in wiens rechtsgebied de zetel van de partij gevestigd is,
en, met het oog op de uitoefening van het inzagerecht, bedoeld
in artikel 94ter, § 2, tweede lid, van het Kieswetboek,
een afschrift ervan mee te delen aan de voorzitter van,
naar gelang van het geval, de voorzitter van het Nederlandse
kiescollege of het Franse kiescollege;
3° de stavingsstukken betreffende hun verkiezingsuitgaven
en de herkomst van de geldmiddelen gedurende twee jaar na
de datum van de verkiezingen te bewaren.
Voor zover in hun aangifte van de herkomst van de geldmiddelen
giften worden vermeld, verbinden zij er zich bovendien toe
om de identiteit van de natuurlijke personen, die ter financiering
van de verkiezingsuitgaven, giften van 125 euro en meer
hebben gedaan, te registreren, vertrouwelijk te houden en,
binnen vijfenveertig dagen na de datum van de verkiezingen,
aan te geven bij de Controlecommissie die toeziet
op de naleving van deze verplichting overeenkomstig artikel
16bis.
De schriftelijke verklaring, de aangiften van de verkiezingsuitgaven
en van de herkomst van de geldmiddelen en het ontvangstbewijs
worden gesteld op daartoe bestemde
formulieren die door de minister van Binnenlandse Zaken
worden vastgesteld en tijdig in het Belgisch Staatsblad
worden bekendgemaakt. De formulieren houdende de aangiften
van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst van de geldmiddelen,
alsook de in het tweede lid bedoelde registratieformulieren
worden uiterlijk bij de aanvraag van het lijstnummer ter
beschikking gesteld van de politieke partijen.
Deze formulieren worden door de aanvragers ondertekend,
gedagtekend en, tegen ontvangstbewijs, ingediend.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg
in de Ministerraad de nadere regels inzake de indiening
van de aangiften van de verkiezingsuitgaven en van de herkomst
van de geldmiddelen en de wijze van hun inventarisatie en
beveiligde bewaring.]
-
Art. 7 tot 11.
(wijzigen het Kieswetboek).
[Art.
11bis.
De voorzitters van de Controlecommissie doen, bij een ter
post aangetekende brief, een afschrift van de verslagen
die hen overeenkomstig artikel 94ter, § 2, van het
Kieswetboek zijn toegezonden, onverwijld toekomen aan het
Rekenhof met de opdracht om, met toepassing van artikel
1, 4°, derde lid, binnen een maand een advies uit te
brengen voor de juistheid en de volledigheid van deze verslagen.]
-
[Art.
12.
§ 1. Onverminderd artikel 1, 4°, derde en vierde
lid, doet de Controlecommissie, met inachtneming van de
rechten van de verdediging en na kennisneming van het overeenkomstig
artikel 11bis door het Rekenhof uitgebrachte advies, binnen
honderdtachtig dagen na de dag van de verkiezingen, in openbare
vergadering, uitspraak over de juistheid en de volledigheid
van de verslagen, bedoeld in artikel 94ter van het Kieswetboek.
Hiertoe kan zij,
overeenkomstig de in haar reglement van orde vastgestelde
procedure, alle inlichtingen en nadere aanvullingen opvragen
die daartoe noodzakelijk zijn.
§ 2. De in § 1 bedoelde beslissingen, met inbegrip
van die genomen met toepassing van de artikelen 13 en 14,
§ 2, wegens de door haar vastgestelde schending van
de artikelen 2, 4 en 5, § 1, en hun motivering worden
opgenomen in een door de Controlecommissie goedgekeurd verslag.
Dit verslag bevat op zijn minst nog de volgende gegevens
:
1° per politieke partij het totaalbedrag van de verkiezingsuitgaven
ten voordele van deze partij;
2° per kiesomschrijving, het totaalbedrag van de verkiezingsuitgaven
ten voordele van elke lijst, het totaal van de uitgaven
van alle kandidaten van deze lijst en van elke gekozene
afzonderlijk.
Het advies van het Rekenhof wordt als bijlage bij het verslag
gevoegd.
§ 3. De voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers
en van de Senaat brengen een exemplaar van het verslag,
bij een ter post aangetekende brief, onverwijld ter kennis
van, naar gelang van het geval, de politieke partij of de
personen, ten aanzien van wie de commissie de in §
2, eerste lid, bedoelde beslissing heeft genomen.
Zij sturen eveneens onverwijld een exemplaar van het verslag
naar de diensten van het Belgisch Staatsblad, die het binnen
dertig dagen na ontvangst in de bijlagen van het Belgisch
Staatsblad publiceren.]
-
Art. 13.
[Bij
overschrijding]
van het in artikel 2, § 1, vermelde toegestane maximumbedrag,
verbeurt de betrokken politieke partij gedurende de daaropvolgende
periode die de Controlecommissie bepaalt en die ten minste
één en ten hoogste vier maanden duurt het
recht op de in artikel 15 bepaalde dotatie.
Art. 14.
§ 1. Met de straffen gesteld in artikel 18 van het
Kieswetboek wordt gestraft :
1° een ieder die uitgaven doet of verbintenissen aangaat
voor kiespropaganda zonder daarvan aan de voorzitter van
het betrokken hoofdbureau mededeling te doen ;
2° een ieder die voor kiespropaganda wetens en willens
uitgaven doet of verbintenissen aangaat die de maximumbedragen
overschrijden waarin is voorzien bij artikel 2, §§
2 en 3 ;
3° een ieder die geen aangifte doet van zijn verkiezingsuitgaven
en/of van de herkomst van de geldmiddelen binnen de termijn
bepaald in artikel 116, § 6, van het Kieswetboek ;
4° een ieder die de bepalingen van artikel 5 niet naleeft.
§ 2. Elke overtreding omschreven in § 1 kan worden
vervolgd, hetzij op initiatief van de procureur des Konings,
hetzij op grond van een klacht ingediend door de Controlecommissie
of door een persoon die van enig belang doet blijken.
§ 3. De termijn voor de uitoefening van het initiatiefrecht
van de procureur des Konings en voor de indiening van klachten
met betrekking tot de in § 1 omschreven overtredingen,
verstrijkt de tweehonderdste dag na de verkiezingen. [Ten
aanzien van de Controlecommissie wordt deze termijn gestuit
of geschorst overeenkomstig artikel 1, 4°, derde en
vierde lid.]
-
Van de niet door de Controlecommissie ingediende klachten
zendt de procureur des Konings, binnen acht dagen na ontvangst
ervan, een afschrift aan de Controlecommissie. Binnen dezelfde
termijn geeft de procureur des Konings de Controlecommissie
kennis van zijn beslissing vervolging in te stellen met
betrekking tot de in § 1 bedoelde feiten.
Binnen de dertig dagen na ontvangst van het afschrift van
de ingediende klachten of de beslissing tot vervolging brengt
de Controlecommissie aan de procureur des Konings een met
redenen omkleed advies uit over de klachten en vervolgingen
waarvan ze, overeenkomstig het vorige lid, door de procureur
des Konings in kennis is gesteld.
De adviestermijn schorst de vervolgingen.
§ 4. Een ieder die een klacht heeft ingediend of een
vordering heeft ingesteld die ongegrond blijken en waarvan
vaststaat dat ze zijn ingediend of ingesteld met het oogmerk
om te schaden, wordt gestraft met een geldboete van 50 euro
tot 500 euro.
HOOFDSTUK III - Financiering
van de politieke partijen
Art. 15.
Per politieke partij, die in [één
van de]
Kamers door ten minste één rechtstreeks verkozen
parlementslid vertegenwoordigd is, verleent de Kamer van
Volksvertegenwoordigers en de Senaat, ieder wat hem betreft,
een dotatie aan de in artikel 22 bepaalde instelling. Deze
dotatie wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de
hiernavolgende artikelen.
Art. 15.bis.
Om aanspraak te kunnen maken op de dotatie waarin is voorzien
bij artikel 15, moet elke partij, tegen uiterlijk 31 december
1995, in haar statuten of in haar programma een bepaling
opnemen waarbij zij zich ertoe verbindt om in haar politieke
actie ten minste de rechten en vrijheden, zoals gewaarborgd
door het bij de wet van 13 mei 1955 bekrachtigde Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden van 4 november 1950 en door de in België
van kracht zijnde aanvullende protocollen bij dit Verdrag,
in acht te nemen en door haar diverse geledingen en verkozen
mandatarissen te doen in acht nemen.
Art. 15ter.
§ 1. Indien een politieke partij door eigen toedoen
of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten
of gekozenen, duidelijk en door middel van verscheidene,
met elkaar overeenstemmende tekenen, aantoont dat zij vijandig
staat tegenover de rechten en vrijheden die gewaarborgd
worden door het Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950,
goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, en door de aanvullende
protocollen bij dat verdrag die in België van kracht
zijn, moet de dotatie die krachtens dit hoofdstuk aan de
in artikel 22 bedoelde instelling wordt toegekend, zo de
algemene vergadering van de afdeling administratie van de
Raad van State dat beslist, binnen vijftien dagen door de
Controlecommissie worden ingetrokken, ten belope van het
bedrag waartoe de Raad van State heeft beslist.
De aanvraag die wordt ingediend door ten minste een derde
van de leden van de Controlecommissie moet rechtstreeks
aan de Raad van State worden gericht. Op straffe van niet-ontvankelijkheid
wordt in de aldus toegezonden aanvraag melding gemaakt van
de naam van de eisende partijen, de in artikel 22 bedoelde
instelling waartegen de aanvraag gericht is, een beschrijving
van de feiten en overeenstemmende tekenen alsmede van het
recht of de rechten die werden bekrachtigd bij het in het
vorige lid bedoelde Verdrag en waarvan wordt beweerd dat
de aangeklaagde partij er kennelijk tegen gekant is. In
de aanvraag worden voorts de natuurlijke personen en rechtspersonen
vermeld die bij voornoemde feiten betrokken zijn. De Koning
kan bijkomende nadere regels vaststellen wat de inhoud van
de aanvraag betreft. De Raad van State brengt, binnen zes
maanden na de aanhangigmaking, een behoorlijk met redenen
omkleed arrest uit en kan beslissen de dotatie die krachtens
dit hoofdstuk aan de in artikel 22 bedoelde instelling wordt
toegekend, in te trekken hetzij ten belope van het dubbele
van het bedrag van de voor het stellen van die daad gefinancierde
of gedane uitgaven, hetzij voor een periode die niet korter
mag zijn dan drie maanden noch langer dan één
jaar.
De Raad van State kan gelasten zijn arrest of een samenvatting
daarvan via de kranten of op enigerlei andere wijze te publiceren
of te verspreiden, ten laste van de instelling bedoeld bij
artikel 22 waaraan een sanctie wordt opgelegd.
§ 2. De partijen mogen hun aanvraag en elk ander procedurestuk,
evenals hun verklaringen, in de taal van hun keuze opstellen.
Deze aanvragen, stukken en verklaringen worden vertaald
door de diensten van de Raad van State wanneer een partij
die van enig belang doet blijken, dit vraagt.
De akten van rechtspleging van de organen van de Raad van
State evenals de arresten worden opgesteld in de taal van
de taalgroep waartoe de volksvertegenwoordigers of senatoren
van de in § 1, tweede lid, bedoelde politieke partij
behoren. Zij worden vertaald door de diensten van de Raad
van State wanneer een partij die van enig belang doet blijken,
dit vraagt.
Wanneer de betrokken politieke partij, volksvertegenwoordigers
of senatoren telt die niet uitsluitend tot één
van de Nederlandse taalgroepen of tot één
van de Franse taalgroepen van de Kamer en van de Senaat
behoren, worden de akten van rechtspleging van de Raad van
State, evenals de arresten, in het Nederlands en in het
Frans betekend, alsook in het Duits wanneer een partij die
van enig belang doet blijken, dit vraagt.
De aanvragen en andere procedurestukken die medeondertekend
worden door volksvertegenwoordigers of senatoren die niet
uitsluitend tot één van de Nederlandse taalgroepen
of tot één van de Franse taalgroepen van de
Kamer en van de Senaat behoren, mogen opgesteld worden in
de twee of de drie landstalen, naar gelang van het geval.
De akten van rechtspleging van de organen van de Raad van
State evenals zijn arresten worden in dit geval betekend
in de twee of drie landstalen, naar gelang van het geval.
De diensten van de Raad van State zorgen voor de vertaling
van de akten en verklaringen van de andere partijen wanneer
een partij die van enig belang doet blijken, dit vraagt.
(Dit artikel treedt inwerking op een door de Koning te bepalen
datum).
Art. 16.
De totale jaarlijkse dotatie is voor elke politieke partij,
die aan de voorwaarden van de artikelen 15 en 15bis voldoet,
samengesteld uit de volgende bedragen :
1° een forfaitair bedrag van 125.000 euro ;
2° een aanvullend bedrag van 1,25 euro per geldig uitgebrachte
stem, ongeacht of het een lijststem dan wel een naamstem
is, op de door de politieke partij erkende kandidatenlijsten
bij de laatste wetgevende verkiezingen tot de gehele vernieuwing
van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.
Iedere partij kan afstand doen van het voordeel van de
haar op grond van het eerste lid verleende dotatie.
Art. 16bis.
Alleen natuurlijke personen kunnen giften doen aan politieke
partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke
mandatarissen. Kandidaten en politieke mandatarissen kunnen
evenwel ook giften ontvangen van de politieke partij of
de lijst waarvoor zij kandideren of waarvoor zij een mandaat
bekleden. Zo ook mogen componenten giften ontvangen van
hun politieke partij en omgekeerd. Onverminderd de voorgaande
bepalingen zijn giften vanwege natuurlijke personen die
feitelijk optreden als tussenpersonen van rechtspersonen
of feitelijke verenigingen verboden.
[Onverminderd
de in artikel 6, tweede lid, en artikel 116, § 6, tweede
lid, van het Kieswetboek bedoelde registratieplicht wordt
de identiteit van de natuurlijke personen die giften van
125 euro en meer, onder welke vorm ook, doen aan politieke
partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke
mandatarissen door de begunstigden jaarlijks geregistreerd.]
Politieke partijen en hun componenten, lijsten, kandidaten
en politieke mandatarissen mogen vanwege een zelfde natuurlijke
persoon jaarlijks elk maximaal 500 euro, of de tegenwaarde
daarvan, als gift ontvangen. De schenker mag jaarlijks in
het totaal maximaal 2.000 euro, of de tegenwaarde daarvan,
besteden aan giften ten voordele van politieke partijen
en hun componenten, lijsten, kandidaten en politieke mandatarissen.
De afdrachten van politieke mandatarissen aan hun politieke
partij worden niet als giften beschouwd. [De
bijdragen van politieke mandatarissen aan hun politieke
partij of haar componenten worden niet als giften beschouwd.]
-
De prestaties die rechtspersonen, natuurlijke personen
of feitelijke verenigingen kosteloos of onder de reële
prijs verlenen, worden, net als het ter beschikking stellen
van kredietlijnen die niet moeten worden terugbetaald, met
giften gelijkgesteld. Prestaties die door een politieke
partij of een kandidaat klaarblijkelijk boven de marktprijs
zijn aangerekend worden eveneens als giften van rechtspersonen,
natuurlijke personen of feitelijke verenigingen aangemerkt.
De politieke partij die in strijd met deze bepalingen een
gift aanvaardt, verliest, ten belope van het dubbel van
het bedrag van de gift, haar recht op de dotatie die krachtens
hoofdstuk III van deze wet aan de in artikel 22 bepaalde
instelling zou worden toegekend tijdens de maanden volgend
op de vaststelling van deze niet-naleving door de Controlecommissie.
Hij die in strijd met deze bepaling een gift doet aan een
politieke partij, een van haar componenten – ongeacht
zijn rechtsvorm -, een lijst, een kandidaat of een politiek
mandataris of hij die als kandidaat of als politiek mandataris
een gift aanvaardt, wordt gestraft met een geldboete van
26 euro tot 100.000 euro. Hij die, zonder kandidaat of politiek
mandataris te zijn, een dergelijke gift aanvaardt in naam
of voor rekening van een politieke partij, een lijst, een
kandidaat of een politiek mandataris, wordt met dezelfde
sanctie gestraft.
Het Eerste Boek van het Strafwetboek, met inbegrip van
hoofdstuk VII en artikel 85, is van toepassing op deze misdrijven.
Het vonnis kan op bevel van de rechtbank geheel of bij
uittrekstel opgenomen worden in de dag- en weekbladen die
zij heeft aangeduid.
Art. 16ter.
De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit
de wijze waarop de in de artikelen 6 en 16bis bedoelde registraties,
[alsook
die bedoeld in artikel 116, § 6, tweede lid van het
Kieswetboek],
worden opgesteld en neergelegd. De controle gebeurt door
de Controlecommissie.
Art. 17.
De erkenning van de kandidatenlijsten geschiedt door het
vermelden van het beschermd letterwoord of logo, of van
het gemeenschappelijk volgnummer overeenkomstig de bepalingen
van artikel 115bis van het Kieswetboek.
Art. 18.
[De
in artikel 16, 1° en 2°, bepaalde bedragen worden
aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen.
De indexcijfers van respectievelijk januari 1993 en januari
2003 worden als basis genomen.]
-
Art. 19.
De kredieten worden voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers
en de Senaat, ieder wat hem betreft, uitgetrokken op de
begroting der Dotatiën.
Het in artikel 16, 1°, bepaalde bedrag wordt gelijk
verdeeld over de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de
Senaat.
Art. 20.
De in de artikelen 15, 16, 18 en 19 bepaalde dotatie wordt
per maand berekend en uitgekeerd.
De berekening gebeurt op basis van de gegevens die beschikbaar
zijn op de eerste dag van de maand waarvoor de dotatie wordt
uitgekeerd.
Art. 21.
De dotatie dient per maand schriftelijk aangevraagd te worden
voor de betrokken maand is verstreken.
De in artikel 22 bedoelde instelling richt de aanvraag
daartoe aan de Voorzitters van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
en van de Senaat.
HOOFDSTUK IV - Boekhouding
van de politieke partijen
Art. 22.
Elke politieke partij, die voldoet aan de in de artikelen
15 en 15bis gestelde voorwaarden, wijst een instelling,
opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk,
aan, die de krachtens hoofdstuk III toegekende dotatie ontvangt.
De instelling bedoeld in het eerste lid heeft als opdracht
:
- de publieke dotaties te ontvangen ;
- jaarlijks een centrale lijst op te stellen van de giften
van 125 euro en meer van natuurlijke personen die door de
componenten van de partij werden ontvangen en waarvoor een
ontvangstbewijs werd afgeleverd ;
- de lijst op te stellen van de componenten van de partij
die deel uitmaken van de consolidatiekring ;
- de in het voorgaande streepje vermelde componenten administratief
te omkaderen en toe te zien op de effectieve naleving door
deze componenten van de wettelijke regels met betrekking
tot de boekhouding van de politieke partijen.
Bij in Ministerraad overlegd besluit, erkent de Koning
één instelling per politieke partij en bepaalt
Hij de modaliteiten van de registratie en het afsluiten
van de rekeningen en ontvangsten van deze instelling.
Art. 23.
§ 1. De beheerraad van de in artikel 22 bepaalde instelling
stelt een financieel verslag op over de jaarrekeningen van
de politieke partij en haar componenten.
Het financieel verslag wordt jaarlijks opgemaakt met inachtneming
van de bepalingen vervat in de wet van 17 juli 1975 op de
boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en de
uitvoeringsbesluiten ervan.
Het financieel verslag bevat ten minste de als bijlage
bij deze wet opgesomde documenten, in voorkomend geval in
de in die bijlage voorgeschreven vorm.
§ 2. De algemene vergadering van de in artikel 22
bepaalde instelling stelt een bedrijfsrevisor aan. De bedrijfsrevisor
stelt jaarlijks een verslag op over het in § 1 bedoelde
financieel verslag.
Art. 24.
Binnen honderdtwintig dagen na het afsluiten van de rekeningen
wordt het in artikel 23 bepaalde verslag toegezonden aan
de Minister van Financiën en aan de Voorzitters van
de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat,
[die zorg dragen voor de onverwijlde publicatie van
dit verslag in de parlementaire stukken.]
[Daarenboven
zenden de voorzitters onverwijld een exemplaar van de financiële
verslagen of van de in het eerste lid bedoelde parlementaire
stukken, bij een ter post aangetekende brief, naar het Rekenhof
met de opdracht om, met toepassing van artikel 1, §
2, binnen een maand, na advies uit te brengen over de juistheid
en de volledigheid van deze verslagen.]
[De
Controlecommissie formuleert binnen tweehonderd dagen na
het afsluiten van de rekeningen, onder meer op grond van
het advies van het Rekenhof, haar opmerkingen en keurt,
voor zover zij geen onregelmatigheden vaststelt, het financieel
verslag goed. Het advies van het Rekenhof wordt als bijlage
bij het verslag van de Controlecommissie gevoegd.]
Indien op vordering van het openbaar ministerie een gerechtelijk
onderzoek loopt dat rechtstreeks verband houdt met de financiering
van de partijen, gebeurt de goedkeuring onder voorbehoud.
De procedure en de modaliteiten inzake de controle en het
horen van de betrokkenen worden bepaald in het huishoudelijk
reglement van de Controlecommissie. Dit reglement wordt
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De samenvatting van het financieel verslag, de opmerkingen
en de akte van goedkeuring worden onverwijld door de Voorzitters
van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat
toegezonden aan de Minister van Financiën en aan de
diensten van het Belgisch Staatsblad die deze binnen dertig
dagen na ontvangst in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad
moeten publiceren.
Art. 25.
Het niet goedkeuren van het financieel verslag door de Controlecommissie,
en het niet of het laattijdig indienen van het financieel
verslag hebben het verlies tot gevolg van :
1° de dotatie die krachtens hoofdstuk III van deze wet
aan de in artikel 22 bepaalde instelling zou worden toegekend
gedurende de daaropvolgende periode die de Controlecommissie
bepaalt en ten minste één en ten hoogste vier
maanden duurt ;
2° (opgeheven).
De in artikel 24 bedoelde goedkeuring onder voorbehoud
heeft de preventieve opschorting van een twaalfde van de
jaarlijkse dotatie tot gevolg.
Art. 25bis.
De beslissingen bedoeld in de artikelen 24 en 25 kunnen
op eender welk ogenblik worden herzien.
HOOFDSTUK V - Overgangs-
en slotbepalingen
Art. 26 en 27.
(overgangsbepalingen)
Art. 28.
De Koning wordt belast met de uitvoering van de bepalingen
van hoofdstuk II en artikel 22.
Art. 29.
Deze wet treedt in werking op 1 januari 1989, met uitzondering
van artikel 27 dat in werking treedt met ingang van het
aanslagjaar 1991.
Het voor het derde kwartaal van 1989 uitgekeerde bedrag
van de dotatie bevat de bedragen van de eerste twee kwartalen
van het jaar 1989.
[Art.
30.
Wanneer een politieke partij op 1 juni 2003 aan de in artikelen
15, zoals gewijzigd bij de wet van 17 februari 2005 tot
wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking
en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen
van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding
van de politieke partijen, en 15bis gestelde voorwaarden
voldoet, doch geen dotatie kreeg uitgekeerd, worden de achterstallige
maandelijkse dotaties aan de in artikel 22 bedoelde instelling
uitgekeerd op voorwaarde dat de schriftelijke aanvraag daartoe
binnen 3 maanden na de bekendmaking van de wet van 17 februari
2005 tot wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende
de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor
de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering
en de open boekhouding van de politieke partijen, ingediend
werd bij de voorzitters van de Kamer van volksvertegenwoordigers
en van de Senaat.]
-
.........................
Bijlage
Het financieel verslag, bedoeld in artikel 23, omvat ten
minste de volgende documenten :
1. Een document met de identificatie van de partij en
haar componenten, zoals omschreven in artikel 1, 1°,
tweede lid. De identificatie omvat minstens de benaming,
de zetel, de rechtsvorm, het maatschappelijk doel en de
samenstelling (naam, woonplaats, beroep) van de beheers-
en controleorganen van elk van de partijcomponenten.
2. De samenvattende rekening (balans en resultatenrekening)
van elke component van de politieke partij, volgens de definitie
ervan in artikel 1, 1°, tweede lid. Deze rekeningen
mogen opgesteld worden in de vorm van een synoptische tabel
met een minimale aanduiding per component van :
a) het totaal van de activa, het totaal van de voorzieningen
en schulden en het bedrag van het patrimonium ;
b) de opbrengsten en kosten uit courante werking, het resultaat
uit courante werking vóór financiële
resultaten, het financieel resultaat, het uitzonderlijk
resultaat, het resultaat van het boekjaar ;
c) het aantal tewerkgestelde personen uitgedrukt in voltijdse
equivalenten, waarvan de kost door de partijcomponent wordt
gedragen.
3. De geconsolideerde rekening van de politieke partij
en haar componenten bestaande uit een geconsolideerde balans,
een geconsolideerde resultatenrekening, alsook een verklarende
toelichting van de rubrieken van de geconsolideerde balans
en van de geconsolideerde resultatenrekening, volgens het
schema vastgelegd door de Controlecommissie betreffende
de verkiezingsuitgaven en de boekhouding van de politieke
partijen.
4. Een verslag van de bedrijfsrevisor waarin deze :
a) bevestigt dat de geconsolideerde rekening opgesteld is
overeenkomstig de reglementaire bepalingen. Dit verslag
geldt als een verklaring overeenkomstig de algemene controlenormen
van het Instituut der Bedrijfsrevisoren ;
b) toelicht of de administratieve en boekhoudkundige organisatie
van de partij en haar componenten voldoende is om geconsolideerde
rekeningen op te maken ;
c) de gegevens van de geconsolideerde rekening ontleedt,
waarbij hij de aandacht vestigt op de aspecten die het begrip
van de financiële toestand en resultaten, alsook de
vergelijkbaarheid kunnen bevorderen.
|