Besluit
van de Vlaamse Regering van 9 juni 2006 houdende uitvoering
van artikel 8 van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling
van de provincieraadsverkiezingen
Artikel 1.
Bij verkiezingen voor de vernieuwing van de gemeenteraden
en de provincieraden en, in voorkomend geval, van de districtsraden
en de raden voor maatschappelijk welzijn, betaalt de provincie
het presentiegeld aan de leden van de diverse bureaus in
de provincie.
Om het presentiegeld te betalen aan de leden van die bureaus,
sluit elke provincie met DE POST een overeenkomst houdende
de uitvoering van de betaling van het presentiegeld door
overschrijving op de financiële rekening van de leden
van de bureaus.
Het bedrag van het presentiegeld wordt vastgesteld op 87
euro voor de voorzitters van de centrale arrondissementsbureaus
voor de provincieraadsverkiezingen en op 62 euro voor de
leden en de secretarissen van die bureaus.
Het bedrag van het presentiegeld wordt vastgesteld op 75
euro voor de voorzitters van de districtshoofdbureaus voor
de provincieraadsverkiezingen en voor de voorzitters van
de hoofdbureaus voor de gemeenteraadsverkiezingen en op
50 euro voor de leden en secretarissen van die bureaus.
Het bedrag van het presentiegeld voor de voorzitters van
kantonhoofdbureaus wordt vastgesteld op 62 euro en op 25
euro voor de leden en secretarissen van die bureaus.
Het bedrag van de presentiegeld bedraagt 15 euro voor de
leden van de stembureaus en de stemopnemingsbureaus in de
gemeenten waar manueel wordt gestemd, en 22,50 euro voor
de leden van de stembureaus waar geautomatiseerd wordt gestemd.
Het presentiegeld voor de leden van de hoofdbureaus voor
de districtsraadsverkiezingen is gelijk aan het presentiegeld
dat is vastgesteld voor de leden van de hoofdbureaus voor
de gemeenteraadsverkiezingen.
Art. 2.
De leden van de bureaus hebben recht op een reisvergoeding
als zij zitting hebben in een gemeente waar zij niet in
de bevolkingsregisters zijn ingeschreven. De vergoeding
is vastgesteld op 0,2841 euro per afgelegde kilometer. De
Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden,
kan dit bedrag aanpassen, rekening houdend met een eventuele
verhoging van het bedrag van de aan de personeelsleden van
de Vlaamse overheid toegekende reisvergoeding. Zij sturen
hun schuldvordering naar de provincie waar zij zitting hebben
met het daartoe vastgestelde formulier binnen drie maanden
na de verkiezingen.
Art. 3.
§1. De kiezers die op de dag van de verkiezingen niet
meer verblijven in de gemeente waar zij moeten gaan stemmen,
de loon- of weddetrekkenden die hun beroep uitoefenen in
het buitenland of in een andere gemeente dan waar zij moeten
stemmen, de leden van het gezin van die loon- of weddetrekkenden
die met hen samenwonen, de studenten die omwille van hun
studies verblijven in een andere gemeente dan waar zij moeten
stemmen en de personen die in behandeling zijn in een verpleeg-
of gezondheidsinrichting in een andere gemeente dan waar
zij moeten stemmen, hebben recht op de terugbetaling van
hun reiskosten.
§2. De kiezers die gebruikmaken van de Nationale Maatschappij
der Belgische Spoorwegen hebben recht op een gratis treinbiljet
(tweede klasse - heen en terug) op vertoon van hun oproepingsbrief.
De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen factureert
aan de provincie de kosten, die voortvloeien uit de verplaatsingen
die de voormelde kiezers hebben gedaan, aan de hand van
de provinciale NMBS-code op de oproepingsbrief van de betrokken
kiezer.
§3. De kiezers die gebruikmaken van een ander vervoermiddel
dan de trein hebben eveneens recht op de terugbetaling van
hun reiskosten naar rato van het tarief van de NMBS voor
de afgelegde afstand, met dien verstande dat alleen binnenlandse
trajecten in aanmerking genomen kunnen worden.
Die kiezers vragen de terugbetaling van hun reiskosten
met het daartoe vastgestelde formulier. Zij sturen dat naar
de provincie waar zij hun stemplicht moeten vervullen.
Art. 4.
Elke provincie sluit bij een toegelaten verzekeringsonderneming
een polis om de schade te vergoeden die voortvloeit uit
eventuele ongevallen die de leden van de diverse bureaus
zijn overkomen bij de verkiezingen.
Art. 5.
De ter uitvoering van artikel 4 gesloten verzekeringspolis
dekt de lichamelijke schade die voortvloeit uit ongevallen
die de leden van de diverse bureaus zijn overkomen tijdens
de uitoefening van hun opdracht of op de heen- en terugweg
van hun woonplaats naar de vergaderplaats van hun bureau.
De polis dekt eveneens de burgerlijke aansprakelijkheid
die voortvloeit uit de schade die door hun toedoen of schuld
werd toegebracht aan derden bij de uitoefening van hun opdracht
of op de heen- en terugweg van hun woonplaats naar de vergaderplaats
van hun bureau.
Ten opzichte van elkaar worden de verzekerden als derden
beschouwd.
Met betrekking tot het begrip heen- en terugweg van de
woonplaats van de verzekerde naar de vergaderplaats van
zijn bureau wordt verwezen naar artikel 8 van de arbeidsongevallenwet
van 10 april 1971, gewijzigd bij de wet van 12 juli 1991.
Art. 6.
Onder verzekerden moet worden verstaan:
1° de leden van de centrale arrondissementsbureaus,
de districtshoofdbureaus, de kantonhoofdbureaus, de gemeentelijke
hoofdbureaus en de hoofdbureaus voor de districtsraden,
alsook de stem- en de stemopnemingsbureaus, met uitsluiting
van de getuigen, maar met inbegrip van de plaatsvervangende
bijzitters die speciaal werden opgeroepen door de voorzitter
van het bureau waarvoor ze werden aangewezen;
2° voor de dekking van het risico, vermeld in artikel
5, tweede lid, de personen, vermeld in 1°, alsmede de
personeelsleden van de Vlaamse overheid en van de lokale
en de provinciale besturen die taken vervullen naar aanleiding
van de verkiezingen.
Art. 7.
De leden van de bureaus die vallen onder de wet van 3 juli
1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding
voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en
van het werk en voor de beroepsziekten in de overheidssector
worden uitgesloten van de dekking, vermeld in artikel 5,
eerste lid.
Art. 8.
Als een of meer verzekeringen geheel of gedeeltelijk dezelfde
risico's dekken als die welke de polis vermeld in artikel
5 dekt, vormt de door de provincie te sluiten verzekeringspolis
slechts een aanvulling op die verzekeringen.
Naar gelang van de categorieën van bureaus die samengesteld
moeten worden, begint de verzekeringspolis te lopen op de
data die de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de
provincieraadsverkiezingen en de Gemeentekieswet vastleggen
voor hun eerste vergadering. De dekking verstrijkt op de
datum waarop die bureaus al hun verrichtingen uitgevoerd
hebben.
Art. 9.
De provincie betaalt de uitgaven vermeld in artikel 1, 2,
3, en 4 alsook alle andere verkiezingsuitgaven met betrekking
tot de werking van de provinciale-, arrondissements-, districts-,
en kantonhoofdbureaus.
Iedere provincie verhaalt naar rata van het aantal ingeschreven
kiezers, de volgende kosten op de gemeenten die tot de provincie
behoren:
1° de helft van de uitgaven vermeld in de artikelen
1, 2, 3, en 4;
2° het volledige bedrag van de overige kosten die de
provincie heeft voorgeschoten.
De deputatie neemt daarvoor een gemotiveerde beslissing
en brengt de gemeenten in kwestie met een aangetekende brief
binnen dertig dagen op de hoogte van de beslissing.
Alle andere uitgaven, zoals de kosten voor de aanschaf
van stembussen, schotten, lessenaars, enveloppen, potloden,
de inrichting en de werking van de stembureaus, de stemopnemingsbureaus
en van het gemeentelijk hoofdstembureau, komen rechtstreeks
voor rekening van de gemeenten.
De gemeenten waar geautomatiseerd wordt gestemd, worden
van de verdeling uitgesloten voor:
1° de terugvordering van de kosten die voortvloeien
uit de betaling van het presentiegeld aan de leden van de
provinciale en gemeentelijke stemopnemingsbureaus;
2° de kosten van het drukken van de stembrieven.
Alleen de gemeenten die een traditioneel stemsysteem gebruiken,
komen voor de verdeling van die kosten in aanmerking.
Art. 10.
Het koninklijk besluit van 27 augustus 1982 betreffende
de terugbetaling van de reiskosten aan sommige kiezers,
gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 april 1995, wordt
opgeheven.
Art. 11.
Het koninklijk besluit van 11 april 1999 tot vaststelling
van het bedrag van het presentiegeld en de reiskosten voor
de leden van de kiesbureaus, gewijzigd bij het koninklijk
besluit van 11 december 2001, wordt opgeheven.
Art. 12.
Het koninklijk besluit van 12 augustus 2000 houdende uitvoering
van artikel 8, eerste lid, van de wet van 19 oktober 1921
tot regeling van de provincieraadsverkiezingen wordt opgeheven.
Art. 13.
Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking
ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 14.
De Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden,
is belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel,
De minister-president van de Vlaamse Regering,
Yves LETERME
De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid,
Wonen en Inburgering,
Marino KEULEN
|