Attesten van aanwezigheid op begrafenissen
Attesten van aanwezigheid op begrafenissen
Betreft: Attesten van aanwezigheid op begrafenissen - omzendbrief van 1 september 1994 - B.S. 22.9.1994
Luidens artikel 30 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd door de wet van 18 juli 1985 (Belgisch Staatsblad van 31 augustus 1985), heeft de werknemer het recht om van het werk afwezig te zijn, met behoud van zijn normaal loon, ter gelegenheid van familiegebeurtenissen, voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten en in geval van verschijning voor het gerecht.
Om gerechtigd te zijn op het loon moet de werknemer de werkgever vooraf verwittigen; indien dit hem niet mogelijk is, moet hij de werkgever zo spoedig mogelijk verwittigen; hij moet het verlof gebruiken voor het doel waarvoor het is toegestaan.
De lijst van deze gebeurtenissen, verplichtingen en opdrachten alsook het aantal dagen gedurende dewelke de werknemer afwezig mag zijn van het werk met behoud van het loon, is gerechtigd door het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 (Belgisch Staatsblad van 11 september 1963).
Indien de werkgever het bewijs van het bestaan van deze gebeurtenissen mag eisen, mag hij evenwel niet vragen dat hem in geval van overlijden van een nabestaande het bewijs van deelname aan de begrafenisplechtigheid zou voorgelegd worden.
Ik vestig er de aandacht op dat de door de ambtenaar van de burgerlijke stand afgeleverde verklaring van overlijden - waarvoor een retributie tegen kostenvergoeding kan gevraagd worden - als afdoende bewijs voor de werkgever kan beschouwd worden, hoewel ze niet het bewijs van aanwezigheid op de begrafenisplechtigheid levert.
De vermelding van aanwezigheid die door sommige begrafenisaannemers wordt aangebracht op de verklaring afgeleverd door de ambtenaar van de burgerlijke stand heeft op zich geen enkele waarde. Zij kan enkel als een geschreven getuigenis beschouwd worden die evengoed door gelijk welke persoon aanwezig op de plechtigheid verstrekt zou kunnen worden.
Deze praktijk is in die mate onaanvaardbaar dat sommige begrafenisaannemers voor een winstgevend doel gemeentelijke documenten gebruiken om de werknemers in de waan te brengen dat de door hen aangebrachte vermelding, die niet noodzakelijk is voor de werkgever, een zekere waarde heeft, voor de toepassing van de bepalingen voorzien door artikel 30 van de voormelde wet van 3 juli 1978, wat zij per slot van rekening niet heeft.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
L. TOBBACK