Dode Hand
Sommige onroerende goederen die eigendom zijn van de federale overheid, van internationale instellingen of van andere staten zijn vrijgesteld van onroerende voorheffing. De gemeenten kunnen hierop geen opcentiemen vestigen en derven hierdoor belangrijke inkomsten. Zij krijgen hiervoor een compensatie uit een krediet dat bekend staat als “De Dode Hand”. Het krediet is geregeld door artikel 63 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van Gemeenschappen en gewesten.
Het krediet staat op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en bedraagt ten minste 72% van de waarde van de niet geïnde gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing. Het wordt verdeeld onder de betrokken gemeenten op basis van het respectieve bedrag aan fiscale minderopbrengst. Het grootste aandeel van het krediet is bestemd voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waar het merendeel van deze overheidsgebouwen gevestigd zijn.
De berekening en de verdeling van het bijzonder krediet gebeurt jaarlijks, overeenkomstig artikel 63, §3, van de bijzondere wet, bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit, na overleg met de betrokken gewestregeringen.