Veelgestelde vragen - tuchtonderzoeker

Datum: 
21.04.2011
Situering: 
Art. 1, derde lid, tuchtprocedurebesluit van 15/12/2006.

Om betwistingen ten gevolge van sterke vermoedens van partijdigheid uit te sluiten wordt in het derde lid van het artikel 1 van het tuchtprocedurebesluit van 15 december 2006, de mogelijkheid vastgesteld om een andere persoon, aan te duiden.
Artikel 1, derde lid, van het tuchtprocedurebesluit van 15 december 2006 gaat over de tuchtonderzoeker en niet over de tuchtoverheid. De tuchtonderzoeker moet zijn onderzoek onpartijdig voeren. Een onderzoek door een afzonderlijk aangestelde onderzoeker verliest elke zin en betekenis als niet voorkomen wordt dat die onderzoeker manifest gehinderd wordt door bijvoorbeeld persoonlijke betrokkenheid bij de feiten, nauwe banden met het personeelslid tegen wie het onderzoek werd opgestart, of vormen van belangenvermenging.
De onpartijdigheid is een door de rechtspraak en de rechtsleer gehanteerd algemeen beginsel, waaraan de overheden geacht worden zich te houden. Het gaat over objectiviteit en afwezigheid van vooringenomenheid en een werkwijze die rekening houdt met gegevens à charge en à décharge.
Het beginsel van onpartijdigheid zal in ieder geval van belang zijn bij de beoordeling van de tuchtprocedure en in het bijzonder van het tuchtonderzoek.
Het komt aan de tuchtoverheid toe om te oordelen of er, bij kennisneming van de feiten, een mogelijke en dus een schijn van partijdigheid kan zijn in hoofde van de decretaal bepaalde tuchtonderzoeker. Als de aangeduide tuchtonderzoeker zelf meent dat hij niet kan optreden als onderzoeker, dan deelt hij dat mee aan de tuchtoverheid die in dat geval een nieuwe aanduiding kan doen.
 

Datum: 
21.04.2011
Situering: 
Art. 124 Gemeentedecreet en art. 3 tuchtprocedurebesluit van 15/12/2006

De tuchtonderzoeker kan in het tuchtverslag - en dit op grond van de feiten en gegevens daarin - de tuchtoverheid voorstellen om al dan niet een tuchtstraf aan het betrokken personeelslid op te leggen. De tuchtonderzoeker kan echter niet zelf de strafmaat bepalen, aangezien hij daartoe niet bevoegd is. De bepaling van de strafmaat is op grond van het Gemeentedecreet uitsluitend de bevoegdheid van de tuchtoverheid.
Noot: de Beroepscommissie voor tuchtzaken neemt een gematigde houding aan in dit verband en aanvaardt wel dat de tuchtonderzoeker een voorstel kan, maar zeker niet moet, formuleren. Het gaat om een voorstel, niet om de eindbeslissing.
 

Datum: 
21.04.2011
Situering: 
Art. 124, §2 Gemeentedecreet

De gemeentesecretaris zal in een aantal gevallen rechtstreeks op basis van de bepalingen van het Gemeentedecreet als tuchtonderzoeker optreden. Hij kan op het gebied van tucht geen verantwoordelijkheden verder doordelegeren.
Hij kan wel logistieke opdrachten laten uitvoeren, zoals de samenstelling van het dossier met de beschikbare informatiebronnen, maar de essentiële elementen van het onderzoek, zoals het verhoren van betrokkenen, of de verantwoordelijkheid voor het opstellen van het tuchtverslag, kan hij niet delegeren aan andere personeelsleden.
 

Datum: 
21.04.2011
Situering: 
Art. 3 BVR tuchtprocedure van 15/12/2006

Artikel 3, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006 houdende vaststelling van de tuchtprocedure voor het statutaire gemeentepersoneel bepaalt dat de tuchtonderzoeker toelichting kan geven over zijn bevindingen. Hij is niet aanwezig bij de beraadslaging en bij de beslissing door de tuchtoverheid. Hij kan wel gehoord worden tijdens de hoorzitting. In casu kan het college van burgemeester en schepenen aan de tuchtonderzoeker bijkomende uitleg vragen over het door hem opgestelde tuchtverslag.

Wie in een dergelijk geval notuleert, is niet in detail geregeld. Het college van burgemeester en schepenen treedt als tuchtorgaan op en niet als schepencollege in strikte zin.

De inhoud van het proces-verbaal is de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en schepenen. Dat het college zich technisch laat bijstaan door een personeelslid is niet uitgesloten, behalve dan wat de tuchtonderzoeker betreft. De tuchtonderzoeker kan, bij de hoorzitting in beroep voor de Beroepscommissie voor tuchtzaken, niet aanwezig zijn op grond van dezelfde reden als hierboven uiteengezet.